Boekpresentatie ‘Gezocht: Historicus’

Donderdag 19 april had ik een hele leuke presentatieklus bij SPUI25. Kayleigh Goudsmit presenteerde haar boek ‘Gezocht: Historicus’ en ik mocht het programma aan elkaar praten. Extra bijzonder: ik ben ook geïnterviewd voor het boek over mijn ervaringen als jonge historicus op de arbeidsmarkt.

De boekpresentatie is gedeeltelijk terug te zien via de Facebook van SPUI25.

 

Over het boek

‘DAN WIL JE ZEKER LERAAR WORDEN?’
‘MAAR DAAR IS TOCH GEEN WERK IN TE VINDEN?’

Dat is wat geschiedenisstudenten en alumni vaak te horen krijgen over hun studiekeuze. Kayleigh Goudsmit laat in Gezocht: Historicus zien dat dit onterecht is.

Historici zijn volop aan het werk, op allerlei terreinen en in verschillende rollen. De waarde van de opleiding geschiedenis op de arbeidsmarkt is niet voor iedereen duidelijk, zelfs niet voor degenen die het studeren of hebben gestudeerd. Goudsmit interviewde tientallen historici werkzaam in het onderwijs, de culturele sector, de media, het bedrijfsleven, de overheid, de politiek en de wetenschap. Hoe kwamen zij daar terecht? Wat hielp en wat hielp niet? En wat adviseren zij de heden daagse historicus? Gezocht: Historicus is een optimistisch boek voor werkzoekende historici, geschiedenisstudenten en iedereen die geschiedenis als studiekeuze overweegt.

Gezocht: Historicus is uitgegeven door Amsterdam University Press en hier te bestellen.

 

Maand van de Geschiedenis: Geluk

Een leven zonder beklemming

Het lijkt alsof iedereen op zoek is naar geluk, naar de beste invulling van het moderne leven. We doen dit door zelfhulpboeken te lezen die vertellen hoe je in tien stappen het geluk bereikt. Of door mindful te leven. Of door juist veel en hard te werken in de hoop zo een staat van geluk te bereiken. De zoektocht naar geluk herkennen we allemaal. Maar het is vaak de vluchteling die wordt geframed als gelukszoeker pur sang.

Tijdens de Jan Kompagnielezing van 2016 in het Nationaal Archief vertelde de jonge historicus Elias van der Plicht dat elke Nederlander van een vluchteling afstamt. Vierhonderd jaar migratiegeschiedenis met meer dan honderd verschillende groepen maken het onderscheid tussen vluchteling en niet-vluchteling diffuus. Ik ben een van die  Nederlanders. Maar de erfenis voelt niet als geluk en heeft een bittere nasmaak.

Mijn opa behoorde tot de koloniale elite van Indië. Als het hoofd van een zakenimperium in Batavia liet hij zijn kinderen naar de Nederlandse school gaan. Voor even konden ze vergeten dat ze als Chinezen in een land leefden dat hen eigenlijk vijandig was. Na de onafhankelijkheid belandde hij aan de verkeerde kant van de geschiedenis en aan de verkeerde kant van het politieke spectrum. Hij koos voor de toekomst van zijn kinderen; hij mocht vertrekken naar Nederland. Hier belandde hij als lage ambtenaar bij het lokale archief, het familiekapitaal verdampte en niet ieder van zijn kinderen had het even makkelijk. Binnen de kortste tijd was mijn opa een oude man.

Enkele weken na de lezing belandde ik op een congres in een levendige discussie met andere nakomelingen van recente vluchtelingen. Het ging over de disconnectie met de Nederlandse samenleving, die velen in toenemende mate voelen. Een jongen merkte op: Nederland is voor veel vluchtelingen niet per se een verbetering. Als je tot de politieke elite van Kabul behoorde, is een AZC geen beter leven. Zijn vluchtelingen dus gelukszoekers? Ja, omdat het soms niet anders kan.
Ook het vluchtverhaal van mijn familie leert dat er geen lineair pad is naar een betere situatie. Het is een moeilijk verhaal, met terugval, heimwee en berusting. Maar een verhaal zonder spijt.

Vorig jaar had de Maand van de Geschiedenis als thema ‘grenzen’. Ook geluk heeft te maken met beperkingen. Het kan volgens mij alleen bestaan binnen bepaalde grenzen. Om geluk in grote of kleine mate te ervaren, moet er verschil zijn. Geluk moet begrensd worden door minder leuke dingen.

Afgelopen zomer reisde ik terug naar Indonesië om te begrijpen waarom mijn opa zijn land verliet. De achtergebleven familie leeft een goed leven en het materieel in veel opzichten beter dan de vertrekkers. Maar hun politieke en economische positie is kwetsbaar. Hun bestaan kan met een vingerknip anders zijn. En dat weten ze. Toen overviel de volle betekenis van opa’s vlucht mij. Een tastbaar verschil in onze levens is er op het eerste gezicht niet, maar ik kan in Nederland leven zonder beklemming. Mijn opa heeft geld, status en familie achtergelaten, en gekozen voor de vrijheid. De vrijheid om zelf je leven uit te stippelen, de vrijheid om te zijn wie je bent en niet beoordeeld te worden omdat je deel bent van een minderheid. Vrijheid is iets dat je niet kunt zien, maar juist omdat het zo vanzelfsprekend is, een groot goed. Het is er elke dag. Geluk is voor mij een bittere vlucht naar vrijheid.

Deze column verscheen eerder in het inspiratieboekje van de Maand van de Geschiedenis 2017.

Disconnectie

Onlangs hoorde ik het verhaal van een gederadicaliseerde Islamist. Als jongen van gemengde afkomst begon hij in zijn tienerjaren een disconnectie te voelen met de Nederlandse samenleving.  Door verschillende oorzaken kwam hij op het verkeerde pad terecht. Ik, afkomstig uit een kansrijke geassimileerde Chinees-Indonesische familie en met een soepele academische en professionele carrière, herkende de incidenten die hij beschreef. De eerste keer dat iemand zegt: ‘ga terug naar je eigen land.’ De eerste keer dat je Monsieur Cannibale niet meer oké vindt. De eerste keer dat je gaat nadenken over Zwarte Piet. Er is ongemak. Ikzelf en vele anderen zijn weerbaar genoeg om het verkeerde pad te weerstaan. Maar onze voedingsbodem is dezelfde.

De grenzen lopen door onze samenleving heen, langs de lijnen van kleur en afkomst. Het ongemak zit niet alleen in feitelijke discriminatie en racisme. Het ongemak groeit doordat het debat niet erkend wordt als waardevol. Om het zelf sec te zeggen: vaak wijst de ‘witte’ Nederlander het debat over Zwarte Piet en Monsieur Cannibale af alsof het geen serieus debat is. Hij wijst het debat over discriminatie op de arbeidsmarkt met ongemak vermijdende zinnen als; gewoon goed integreren, je best doen, niet zo aanstellen. Mijn mede-Nederlanders die ook van allochtone of gemengde komaf zijn, erkennen dat we het gesprek moeten aangaan over Zwarte Piet, wat je mening ook is. Witte Nederlanders wijzen de waarde van dit debat af. Dit voedt de grenzen in de samenleving.

Tegelijkertijd is de beleving van grenzen anders voor veel gekleurde Nederlanders. Ik denk dat ik me Nederlander voel, maar meer nog heb ik een transnationale identiteit. Ik groeide op in een familie die slechts voor een deel Nederlands was. We hadden familie in Indonesië, de Verenigde Staten en China, en gingen in de zomervakantie langs familie in heel Europa. Het internationale was een gegeven, het mengen van culturen was een gegeven. Mijn familie is niet per se Nederlands: het buitenland is altijd ook thuis geweest.

Ik voel me verbonden met Nederland, maar voel tegelijkertijd die disconnectie omdat voor veel medelanders het nationale perspectief de enige realiteit is. De vraagstukken die meekomen met een transnationale wereld zijn al aanwezig in onze samenleving. De manier waarop het debat gevoerd wordt, houdt geen rekening met de realiteit van een grote groep Nederlanders.

Sluit de ogen niet langer voor het ongemak. Erken de pijn die zit bij Monsieur Cannibale, ga echt het debat aan over discriminatie op de arbeidsmarkt en open je ogen voor veranderende grenzen.

Deze column verscheen eerder op Metronieuws in het kader van de columnwedstrijd ‘Grenzen’ van de Maand van de Geschiedenis 2016.

Onze vrouw in Azië: Java

Onze vrouw in Azië: Java

Ik ben alweer terug in Nederland als op de website van de Volkskrant een verrassend lang bericht verschijnt over de nieuwe kabinetsformatie van president Joko Widodo. De aanleiding: een oud-generaal cq. de slachter van Oost-Timor krijgt een van de belangrijkste posities in het kabinet. De benoeming illustreert de botsing tussen de toekomstvisie van ‘Jokowi’ en de reputatie van oorlogsmisdadiger die deze generaal Wiranto buiten Indonesië heeft.

De binnenlandse steun voor Jokowi is breed. Ik pols voorzichtig bij mijn vrienden op Flores en Bali hoe zij de resultaten van de president tot nu toe zien. De een is lovend over de economische ambities en de impuls die de president aan toerisme wil geven. Ook dit nieuwe kabinet legt sterk de nadruk op economische hervormingen. De ander heeft lof voor de wil om eindelijk iets aan corruptie te doen.

Chauffeur Sonny steunt de strenge vervolging van (buitenlandse) drugscriminelen want ‘een toekomst met onze kinderen aan de drugs is de allerergste’. De harde lijn rondom de drugscriminaliteit wordt door andere landen echter sterk bekritiseerd. Een paar jaar geleden was er in Nederland nog grote afschuw rondom de terechtstelling van Ang Kiem Soei.

Het zelfbeeld van Indonesië botst compleet met de verwachtingen die anderen van het land hebben. Met de komst van de nieuwe president hoopten veel Westerse landen dat hij in zou zetten op mensenrechten en de doodstraf niet zou uitvoeren. Slagvaardigheid om de enorme economische kloof en de gigantische corruptie te bestrijden, wordt hoger aangeslagen.

Een schender van de mensenrechten in Oost-Timor kan hoge posities bereiken. De binnenlandse agenda is belangrijker dan pleasen van het buitenland. De recente geschiedenis wordt door de regering met een benoeming nadrukkelijk herschreven.  Hiermee keert Widodo zich weer naar binnen. De proteststemmen klinken vooral in het buitenland en die worden niet gehoord. Het is stil rondom de recente geschiedenis.

Deze column verscheen eerder op jongehistorici.nl.

Onze vrouw in Azië: Bali

Onze vrouw in Azië: Bali

De reis op Bali begint ten zuiden van Ubud. Hier ben ik te gast bij een kunstenaarsfamilie die me een kijkje gunt in hun dagelijks leven. Terwijl ik op de veranda uitpuf van de chaotische reis vanaf Noord-Flores naar Bali (vijf uur lang over de trans Flores highway en daarna in het propellervliegtuig), zie ik dat mijn gastheer druk doende is met een enorm dienblad. Hij legt overal stukjes bananenbladeren neer met daarop rijst. “Dat doe ik elke dag, vanochtend ben ik vergeten maar het moet toch nog even.” Hij legt de offers overal op het erf eer. Elke dag weer.

De volgende dag laat hij mij de traditionele dans zien. Zijn kinderen maken zich natuurlijk vrolijk om mij . Zij dansen al vanaf dat ze konden lopen. In de middag is de hele familie even weg voor een ceremonie en ik bedenk dat ik me toch beter had moeten inlezen. Antropologen en schrijvers hebben deze wereld al beter en uitgebreider begrepen en geschreven. Ik ben vooral benieuwd hoe de tradities vandaag de dag beleefd worden.

Als ik mijn reis vervolg, let ik beter op wat er nu echt gezegd wordt. Ik merk dat de rituelen en de geschiedenis ook soms een overlevingsstrategie zijn. En hoewel de bevolking de tradities licht draagt, wordt de doorleving van de praal elke dag zwaarder.

Later in de week legt onze chauffeur in Sanur, Sonny, uit wat er soms ook achter de praal ligt: “Ik zie graag dat toeristen geld uitgeven aan echte Balinezen. Huur een Balinese chauffeur in, ga logeren bij echte Balinezen, zoek een lokale gids. Wij gebruiken het geld immers om onze tradities hoog te houden. Onze tempels, onze huwelijksceremonies, onze dansen. Geef je het aan bijvoorbeeld een Javaan, iemand van buiten, dan stroomt het geld weg naar andere eilanden.” De doorleving van de geschiedenis, mythologie en rituelen is heel mooi en oprecht. Maar het weegt ook steeds zwaarder. We dansen om te bestaan.

Het gevecht om te overleven loopt hoog op in de week dat ik Sanur passeer. Aan de hele zuidkant van het eiland protesteert de bevolking. Een aantal jaar geleden heeft de gouverneur van Bali het idee opgevat om in de baai van Sanur een kunstmatig opgespoten eiland te realiseren. Dubai stijl. Iedereen weet dat het eilandproject door de lokale politici zal worden gebruikt om oneindig af te romen. Het eiland hangt vol met boze posters en er staan massademonstraties gepland. Bali heeft niet meer hotels nodig en het ecosysteem heeft al genoeg te lijden gehad.

Sonny neemt geen blad voor de mond: “We willen niet nog meer Javanen hier.” En hoewel de Javanisering waarschijnlijk niet meer te stoppen is, is er een hardnekkige tegenbeweging gaande. Men laat een stem horen, brengt elke dag de offers, viert een traditionele bruiloft en leert kinderen de traditionele dans. Het rijke verleden is een manier geworden om een plek in het Indonesië van nu te blijven bevechten.

Deze column verscheen eerder op jongehistorici.nl.

Onze vrouw in Azië: Flores

Onze vrouw in Azië: Flores

Flores is ver weg van de wereld. Vanaf het moment dat je op Bali in het propellervliegtuig stapt, weet je dat je van de gebaande paden treedt. Als ik uitstap in Ende, herken ik de bergen meteen. Het oostelijke deel van de Indonesische archipel heeft een ander landschap en een andere flora en fauna dan het westelijke deel. Mijn referentiekader is de literatuur van de negentiende-eeuwse natuurhistorische expedities die ik tijdens mijn onderzoeksmaster in Leiden bestudeerde. Maar toch.

Flores is een plek waar je je alleen op de wereld kunt wanen. Er zijn plekken waar je om je heen kunt kijken en een ander persoon noch een gebouw ziet. Je loopt op de aarde en ziet deze zoals de eerste mensen deze ook gezien moeten hebben. Een paar uur later zit je overigens in de drukke kuststeden als Maumere, Ende of Labuan Bajo. Er wonen genoeg mensen op Flores, alleen het is veel minder hectisch dan Java of Bali.

Voor de kolonialen moet het gevoel van verlatenheid nog sterker zijn geweest. Zij hingen hun eigen verhaal op aan de natuur, mensen en dieren die zij zagen. Koloniale wetenschappers gingen zelfs zo ver door te stellen dat de mensen hier in het verleden leefden of buiten de geschiedenis in een primitief paradijs. Een blissful ignorance met hier en daar wat kannibalisme. De nobele wilde leefde duidelijk niet in het heden, aldus het koloniale vertoog.

Het is verleidelijk om als modern mens mee te gaan in deze gedachtengang. Op een eiland als Flores kun je snel het idee krijgen buiten de tijd te staan. Een gebied te bezoeken waar het leven langzamer lijkt te gaan en de locals o zo vriendelijk zijn.  Jared Diamond in The World until Yesterday rekent echter snel af met het idee van het contemporaine verleden. Het is verkeerd om bijvoorbeeld een jager-verzamelaar uit Nieuw-Guinea aan te duiden als iemand die in de steentijd leeft. Welke manier van leven je ook hebt, iedereen maakt deel uit van de moderniteit. Een jager-verzamelaar op Nieuw-Guinea leeft in dezelfde tijd als zijn landgenoot op Java.

Ik moest aan Diamond en het concept van tijd terugdenken toen in Ende de figuur Soekarno weer op mijn pad kwam. Het was de kleine havenstad Ende waarnaar Soekarno in 1934 verbannen werd. Toen ook al een provinciale stad waar niet veel spannends gebeurde. De koloniale autoriteiten stuurden al eeuwenlang opstandige prinsen naar godvergeten uithoeken van het koloniale rijk om hen los te rukken van hun vertrouwde omgeving. (Ik ontdekte dit pareltje van Indonesische cinema trouwens op YouTube).

Soekarno had vier jaar lang de tijd om na te denken op Flores. Uit baldadigheid schreef hij een vervolg op Frankenstein: Dokter Satan. (Een document dat ik overigens nog niet heb kunnen vinden in de krochten van het internet.) Ik denk dat hij hier nog meer is gaan nadenken over het idee van één Indonesië. In Ende staat een boom die inmiddels tot toeristische attractie is verworden.  Onder deze boom zou Soekarno nagedacht hebben over Pancasila (nu de officiële staatsideologie). Op Flores ervaarde hij persoonlijk de verschillen tussen Java, de kroonjuweel van het Nederlandse koloniale rijk en Ende, zijn verre ballingsoord. Hier bedacht hij eens te meer dat de verschillende volkeren van Atjeh tot aan Nieuw-Guinea, van Java tot Flores, deel uitmaakten van diezelfde moderniteit. Eenheid werd één van de vijf pijlers van de Pancasila.

Vandaag de dag is het Bung Karno huis in Ende het enige dat Flores verbindt aan de nationale geschiedenis. Soekarno vertrok in 1938 naar Sumatra om een nieuwe fase van zijn ballingschap in te gaan.  Dokter Satan werd geen succes en Soekarno koos een andere carrière.

Deze column verscheen eerder op jongehistorici.nl.

Onze vrouw in Azië - Maleisië

Onze vrouw in Azië: Maleisië

“Aziaten interesseren zich niet voor geschiedenis. Ze vinden het alleen interessant als het over henzelf gaat,” vertelt mijn gastvrouw Abby lachend terwijl ze door Kuala Lumpur racet met haar auto, “Ze leven in het heden en kijken liever vooruit.” Haar man, reisgids van beroep, zit naast haar: “Alleen westerlingen stellen geschiedenisvragen. Aziaten willen een goede foto maken en winkelen.” Ik ben duidelijk ingedeeld in de eerste categorie en geïntrigeerd door deze uitspraken aarzel ik dan ook niet om verder te vragen.

Tijdens de twee dagen in Kuala Lumpur wordt ik meegenomen in het wereldbeeld van mijn Chinees-Maleisische vrienden. Maleisië bestaat uit drie bevolkingsgroepen: Malay, Chinezen en Hindoes.  De bevolkingsgroep Malay Maleisiërs (60% van de bevolking) heeft ramadan en doet het overdag rustig aan. Abby, haar man Huyan en hun dochter Larissa nemen ons mee in de wereld van de Chinese groep. De rode draad is eten. Van de fruitkraam tot de nasi lempak in de ochtend: het is een Chinese wereld. De voertaal is Chinees, de mensen zijn Chinees.

We zijn natuurlijk op weg naar de volgende eetgelegenheid. Ondertussen klagen Abby en Larissa flink over de zittende premier Najib Razak. Hij heeft grote sommen geld verduisterd maar voorlopig gebeurt er niets. Ik vraag mijn vriendin Larissa of jongeren in Maleisië politiek actief of geëngageerd zijn. “Vooral bij de oppositie”, zegt ze voorzichtig. Zelf lijkt ze niet direct betrokken. Het heden is wat telt. De situatie in het land lijkt op een peaceful co-existence. Ze heeft wel contact met jongeren uit de andere twee bevolkingsgroepen (Malay en Hindoe), maar veel vertelt ze er niet over.

Vooral de jonge generatie is erg met het heden bezig. Ik vraag Larissa wat ze op school tijdens de geschiedenisles vooral geleerd heeft. “Hoe Maleisië is geworden zoals het nu is.” Het internationale perspectief wordt niet behandeld. De geschiedenis wordt niet zozeer ervaren als een last of een schuld maar eerder als een gegeven. Een gegeven dat je krijgt, een status quo waar je het beste van moet maken voor de toekomst.

Dat wil niet zeggen dat de Maleisische jeugd slechter geïnformeerd is dan de Nederlandse jeugd. Ze kennen de geschiedenis, maar gaan er anders mee om. Dat verklaart misschien ook de grote liefde voor het maken van foto’s. Een lieu de mémoire is een plek bij uitstek voor een zo goed mogelijke selfie. One more.

Deze column verscheen eerder op jongehistorici.nl.

Jonge Historici

Blijven bouwen aan een podium voor jonge historici

Drie jaar geleden zat ik op de verjaardag van een der jonge historici toen oprichter Geerten Waling me naar buiten wenkte. Arnout le Clercq en Berend Sommer zaten daar ook. Ik werd deelgenoot van een plan. “Zou je het zien zitten om het bestuur van Jonge Historici te komen versterken?” Ja, dat zag ik wel zitten. Wat het precies inhield wist ik niet, hoe de organisatie precies in elkaar stak eigenlijk ook niet. Wel zag ik een uitdaging en die heb ik met beide handen aangegrepen. Bouwen vind ik immers het allermooiste om te doen.

Als rechtgeaard feminist zorgde ik er natuurlijk voor dat ik voorzitter werd. Zo gezegd, zo gedaan. In het najaar van 2013 erfde ik met Berend en Arnout de stichting Jonge Historici. De stichting bestond al een tijdje, er waren evenementen georganiseerd, maar hier en daar waren er nog kinderziektes. Het voortbestaan was nog niet eens zo zeker.

In de lustrumbundel kunnen jullie lezen wat er in de afgelopen vijf jaar allemaal bereikt is. We hebben prachtige evenementen georganiseerd, een website neergezet, een uitgeverij opnieuw uitgevonden en onze online presence op de sociale media vergroot. Ik ben blij dat we als volwaardig partner gezien worden in het historisch landschap.

Als voorzitter had ik een geheel eigen stijl. Ik was niet diegene die de polemiek aanging in de landelijke dagbladen, zoals Geerten wel deed, of inhoudelijke feedback gaf op stukken. Ik wilde bouwen aan het podium voor jonge historici.

Drie dingen vond ik daarbij erg belangrijk.

  • Ruimte geven aan getalenteerde jonge mensen in mijn team zodat zij konden groeien. De afgelopen jaren was ik steeds zeer onder de indruk van de talenten, denk- en organisatiekracht onder jonge mensen. Ik vond het belangrijk om niet te controleren maar ruimte te geven. Samen hebben we prachtige dingen neergezet.
  • Een open, coöperatieve houding richting partners. Ik zocht niet de confrontatie op maar ik vind het belangrijk om in gesprek te gaan met andere organisaties. Om samen tot mooie samenwerkingen te komen.
  • De verzakelijking van de stichting. Ik vond het altijd belangrijk om ook de processen en de basisinfrastructuur goed te krijgen. Denk aan de administratie, de website, de werkprocessen. Technisch, maar essentieel voor een kleine stichting.

Na drie jaar is het mooi geweest. In mijn rol als voorzitter heb ik mogen bouwen, mensen in staat gesteld te groeien en de stichting naar een hoger niveau getild. Ik blijf me voor Jonge Historici inzetten als bouwer waar nodig. Ik zie nog verdere professionalisering en verzakelijking op het gebied van externe relaties, vriendenwerving en acquisitie. Daar ga ik mij de komende tijd binnen het bestuur op richten.

Vol trots grijp ik de gelegenheid van de presentatie van de lustrumbundel aan om de nieuwe voorzitter voor te stellen: Vincent Bijman. Ik ben erg blij dat we weer een jonge historicus hebben gevonden die aan het roer wil staan van deze mooie organisatie. Ik denk dat we in Vincent iemand gevonden hebben die een echte verbinder is. Ook brengt hij de nodige academische verdieping voor de stichting.

Ik heb er het volste vertrouwen in dat we de komende vijf jaar Jonge Historici met hetzelfde enthousiasme neer zullen zetten. In dit eerste lustrumjaar gaan we beginnen met het thema ‘Jonge Historici op de arbeidsmarkt’. Dit ook weer vanuit het uitgangspunt dat jonge historici veel kunnen en veel toe te voegen hebben.

Dit is een bewerkte versie van mijn afscheidsspeech als voorzitter van Jonge Historici. Deze verscheen eerder op jongehistorici.nl.